Les 9: Dierproeven op de rooster

Secundair onderwijs - 2e graad , 3e graad
Proefdieren
Duur: 50 à 100 minuten, afhankelijk van de klasgroep en van welke elementen je uit de lesvoorbereiding haalt
Les

De leerlingen herhalen wat een dierproef is en waarvoor er dierproeven worden uitgevoerd in België. Ze leren ook welke voorwaarden er zijn om een dierproef te mogen uitvoeren. Via personages worden perspectieven, meningen en voor- en nadelen van dierproeven onderzocht. De leerlingen maken kennis met het kader van de drie V's (vervangen, verminderen, verfijnen) en denken na over wat ze zelf zouden kunnen doen.

Beginsituatie

  • De leerlingen weten wat dierproeven en proefdieren zijn en kunnen voorbeelden geven van waarvoor er proeven op dieren gebeuren. (zie Les 8: Over dierproeven en proefdieren)

Lesdoelen

  • De leerlingen weten dat er een regelgeving bestaat rond wie dierproeven mag uitvoeren.
  • De leerlingen begrijpen dat verschillende mensen een verschillend perspectief hebben op het onderwerp dierproeven en dat hun achtergrond en identiteit daar bepalend in is.
  • De leerlingen kennen het kader van de 3 V’s en zien het nut ervan in.
  • De leerlingen tasten bij zichzelf af welke elementen ze belangrijk vinden in het onderwerp dierproeven.

Vooraf

  • Kies de elementen uit de lesvoorbereiding die passen bij jouw leerlingen en zoek daarvoor het nodige materiaal.
  • Hang de pictogrammen van de vijf domeinen van dierenwelzijn op in de klas (zie bijlage 1).
  • Laat de leerlingen de werkbundel (bijlage 4) tijdens de les aanvullen, of na de les als korte evaluatie. Tip: maak een bundel van de werkbladen uit meerdere lessen.
  • Laat de leerlingen zich eventueel als voortaak al inwerken in het kader van de 3 V’s. Bijvoorbeeld via de tekst op bijlage 3, of het Engelstalig filmpje van 18 minuten op de website van de Britse organisatie NC3Rs (Replacement, Reduction & Refinement).

1. Prikkel: Wie mag dierproeven uitvoeren?

Blik terug op de vorige les door twee vraagwoorden op het bord te noteren. Stel er vragen bij en noteer de antwoorden van de leerlingen er in steekwoorden bij.

Dierproeven:

Wat? Waarom?

  • In de vorige les hebben we geleerd wat een dierproef is. Wie kan dat in zijn eigen woorden nog eens herhalen? (Bijvoorbeeld: Vanaf dat een dier iets ondergaat, voor een wetenschappelijk of onderwijskundig doel, dat even erg of erger is dan wanneer een dierenarts een naald inbrengt, spreek je van een dierproef.)
  • We hebben ook bekeken waarvoor er dierproeven gedaan worden. Kan je daar voorbeelden van geven?
    (Voor de verzorging en voeding van gezelschapsdieren;
    voor het ontwikkelen van medicijnen en therapieën voor de mens;
    om de dieren in de landbouw zo veilig en gezond mogelijk te houden;
    om de invloed van menselijke veranderingen op dieren en ecosystemen te onderzoeken;
    voor het onderwijs.)

Noteer nog een extra vraagwoord op het bord: Wie?

Meer bekijken en materiaal downloaden?

Maak een account aan en ontdek het volledige educatieve aanbod over dierenwelzijn.